de hoge toppen en de lucht voelt koel
en vochtig aan. Het bos is bekleed met een tapijt van
mos, varens en verrotte boomstammen. Nergens ter wereld is er zoveel
gewicht aan levend materiaal verzameld als in deze regenwouden. Dit
is het gematigd regenwoud van Alaska. Hier en daar groeit nog een
Sitkaspar maar de Western Red Cedar en de Western Hemlock zijn hier
overvloedig aanwezig.
Uit het verrotte hout van de Douglasspar groeit weer een nieuwe
boom, de zaden ontkiemen hier en maken gebruik van de
voedingsstoffen van de dode boom.
Op de bodem in het spaarzame zonlicht groeit de Huckleberry en de
Blueberry, samen met de Salal. Een belangrijk plantje dat hier
groeit is de Grote Korstmos. Deze heeft de mogelijkheid om stikstof
uit de lucht te binden en deze beschikbaar te maken voor de andere
planten in het bos. Het ‘old growth’-bos zou zonder dit plantje niet
kunnen bestaan. In kleine plasjes waar het regenwater is blijven
staan groeit het Veenmos. Dit Veenmos heeft de eigenschap om het
water als een spons op te nemen. In deze natte, zure en zachte
ondergrond kan weinig anders groeien dan de Shorepine, Labrador
Thee, Zeggen, Zonnedauw en de Veenpluis. De jonge bomen worden op
een gegeven moment te zwaar en vallen om of verdrinken.
Verder landinwaarts heerst een landklimaat met meer extreme
uitersten. In de winter is het er kouder en zomers is het er warmer.
Ook het verschil tussen de dag- en nachttemperatuur wordt groter.
Dat heeft zeker een effect op het aanbod van soorten.
Hogerop in het noorden, of als u hoger de bergen ingaat, zullen de
bomen lager zijn omdat het er kouder is. Er is ook een verschil
tussen de bossen op de zuidelijk gelegen hellingen en de noordelijke
hellingen. Want de neerslag komt terecht op de zuidelijk gelegen
hellingen.
<<<< terug
Taiga.
Net onder de uitgestrekte woestheid
van de toendra groeit een bostype dat we taiga noemen. Taiga is een
Russisch woord wat ‘land van de kleine staken’ betekend. Deze staken
zijn afkomstig van twee boomsoorten, de White Spruce (Zilver Spar)
en de Black Spruce (Zwarte Spar) allebei familie van onze kerstboom.
De Zwarte Spar is wat ieler dan de witte variant en komt op vochtig
terrein voor, de Zilver Spar komt voor op drogere gronden. Op
beschutte plaatsen kunnen ze nog 25 m lang worden maar waar de regen
en wind vrij speel hebben worden de bomen niet groter dan enkele
meters.
Er groeien hier en daar nog wat loofbomen zoals de Papierberk,
Cottonwood en de Lariks. Een raar verschijnsel op de taiga is dat
alle bomen in andere richtingen staan. Deze bomen zijn weggeschoven
en omgevallen, dit wordt ook wel het dronken bos genoemd.
De permafrost houdt de grond constant bevroren. In de zomer ontdooit
de bovenlaag waar de bomen, op de hellingen, op staan. Deze gaat
vervolgens verschuiven over de harde onderlaag en de bomen kunnen
zich niet meer oprichten nadat ze naar beneden zijn gegleden. Het
dronken bos is gecreëerd.
<<<< terug
Toendra.
De toendra ligt boven de boomgrens en de bomen die hier nog staan,
staan verder uit elkaar. Struiken verschijnen aan de rand en daarna
neemt de toendra de vegetatie over. Deze toendra geeft slechts
kansen aan de laaggroeiende planten. In deze overgangszone leven
planten die slechts gedeeltelijk aan de taiga of toendra zijn
aangepast. In de vochtige gebieden komen bosjes voor van wilgen en
berken met hier en daar een verdwaalde spar. Tussen de bomen groeien
bosbessen. Plekken die nog vochtiger zijn worden begroeid met
grassen, zegges, mossen en korstmossen.
Hogerop in de gebieden met een steniger ondergrond wordt het droger.
Het waait hier harder en het wordt kouder, de bodem wordt dun. Alles
wordt hier niet meer hoger dan uw enkel.
De zomer is hier maar twee maanden lang, en in die tijd is er een
ware groei-explosie. Alles wordt in razend tempo afgewerkt. Terwijl
de bessen rijpen, kleuren de dwergstruikjes al weer geel, oranje en
rood. De winter is weer in aantocht.
Verder naar het noorden wordt het landschap steeds onvriendelijker.
Vaak zijn het stenen en ijs die hier te zien zijn. Maar er is nog
steeds leven. Rode algen kleuren het ijs, ijswormen leven in het ijs
en de insecten zwermen over de vlakten.
<<<< terug
Insecten.
Er komen in Alaska zo’n 20.000 insectensoorten voor. Het zijn er te
veel om te bespreken maar de Mosquito, Midges, Horsefly, Black Flies,
Western Yellow Jacket en de Rocky Mountain Wood Tick zijn vooral
bekend door hun irritant gedrag. Ze zoemen, steken, kriebelen en
kruipen waar u ze niet wilt hebben.
Vooral als ze net uit de eitjes komen kunnen de muskieten en de
andere stekende insecten erg lastig zijn.
Kariboes hebben het vooral moeilijk met de steekvliegen en
muskieten. Ze zullen moeten rennen om ze kwijt te raken. Ze zijn in
de zomermaanden vooral op sneeuwvelden te vinden. Of op richels waar
de temperatuur en de wind het weer lastig maken voor de insekten.
Muskieten kunnen zelfs een zieke kariboe een liter bloed per week
ontnemen.
Mosquito. Komen veel voor in
waterrijke gebieden waar zij hun eitjes moeten leggen. Op grotere
hoogte komen ze minder voor. De slechtste tijd is tussen half juni
en half juli. Dan kunnen ze het mens en dier erg lastig maken.
Midges. Deze kleine muggen
zwermen in kleine groepen en kunnen lastig zijn, maar steken niet.
Ze worden ook wel ‘gnats’ genoemd.
Horsefly. Deze vliegen kunnen
erg lastig zijn. Ze achtervolgen hun ‘prooi’ soms urenlang om te
kunnen bijten. Een wondje blijft vaak lang bloeden omdat ze een anti
stollingsstof afgeven.
Black Fly. Deze vliegjes zijn
maar 2 tot 4 mm groot en erg gemeen en bijtgraag. Ze kruipen in de
rand van kledingstukken om te kunnen bijten. Het wondje zwelt op tot
een puist van 1 cm met een zwart puntje in het midden. En dan begint
het te jeuken, soms wel een week lang.
Western Yellow Jacket. Een
beestje waar wij al aardig mee vertrouwd zijn. De wesp maakt vaak
een hol in de grond onder de jeneverbes. Goed oppassen dus als u
door het bos loopt.
Rocky Mountain Wood Tick. Deze
teek komt voor op plaatsen waar veel wild voor komt. Ze hangen te
wachten aan een grashalm of in een struik totdat er een
voorbijganger voorbij komt waar ze zich aan vast haken. Een teek
leeft van bloed, dat kan van een dier zijn maar ook van een mens.
Als hij een gastheer heeft gevonden gaat hij op zoek naar een zacht
stukje heet waar die doorheen kan bijten. Vaak is dat achter de
oren, in haren, onder oksels of in de lies. Teken kunnen een virus
bij zich dragen, ga daarom als u er een heeft gevonden op uw huid zo
spoedig mogelijk naar een arts.
<<<< terug
Vogels.
Er komen vele soorten vogels voor in Alaska, van klein tot groot.
Daarom houd ik het hier kort, de enkele soorten die ik beschrijf
staan in het hoofdstuk
Wildlife van Alaska.
<<<< terug |